Vervoeging van air


Engels

Nederlands

Present

  • I air
  • you air
  • he/she/it airs
  • we air
  • you air
  • they air

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik roep om
  • jij roept om
  • hij/zij/het roept om
  • wij roepen om
  • jullie roepen om
  • zij roepen om

Simple past

  • I aired
  • you aired
  • he/she/it aired
  • we aired
  • you aired
  • they aired

Onvoltooid verleden tijd

  • ik riep om
  • jij riep om
  • hij/zij/het riep om
  • wij riepen om
  • jullie riepen om
  • zij riepen om

Present perfect

  • I have aired
  • you have aired
  • he/she/it has aired
  • we have aired
  • you have aired
  • they have aired

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb omgeroepen
  • jij hebt omgeroepen
  • hij/zij/het heeft omgeroepen
  • wij hebben omgeroepen
  • jullie hebben omgeroepen
  • zij hebben omgeroepen

Past perfect

  • I had aired
  • you had aired
  • he/she/it had aired
  • we had aired
  • you had aired
  • they had aired

Voltooid verleden tijd

  • ik had omgeroepen
  • jij had omgeroepen
  • hij/zij/het had omgeroepen
  • wij hadden omgeroepen
  • jullie hadden omgeroepen
  • zij hadden omgeroepen

Future

  • I will air
  • you will air
  • he/she/it will air
  • we will air
  • you will air
  • they will air

Toekomende tijd I

  • ik zal omroepen
  • jij zult omroepen
  • hij/zij/het zal omroepen
  • wij zullen omroepen
  • jullie zullen omroepen
  • zij zullen omroepen

Future perfect

  • I will have aired
  • you will have aired
  • he/she/it will have aired
  • we will have aired
  • you will have aired
  • they will have aired

Toekomende tijd II

  • ik zal omgeroepen hebben
  • jij zult omgeroepen hebben
  • hij/zij/het zal omgeroepen hebben
  • wij zullen omgeroepen hebben
  • jullie zullen omgeroepen hebben
  • zij zullen omgeroepen hebben

Conditional present

  • I would air
  • you would air
  • he/she/it would air
  • we would air
  • you would air
  • they would air

Conditionalis I

  • ik zou omroepen
  • jij zou omroepen
  • hij/zij/het zou omroepen
  • wij zouden omroepen
  • jullie zouden omroepen
  • zij zouden omroepen

Conditional perfect

  • I would have aired
  • you would have aired
  • he/she/it would have aired
  • we would have aired
  • you would have aired
  • they would have aired

Conditionalis II

  • ik zou hebben omgeroepen
  • jij zou hebben omgeroepen
  • hij/zij/het zou hebben omgeroepen
  • wij zouden hebben omgeroepen
  • jullie zouden hebben omgeroepen
  • zij zouden hebben omgeroepen

Imperative

  • you air
  • you air

Imperatief

  • jij roep om
  • jullie roept om

Verwijzingen

Bekijk 10 definitie(s) van air