Vervoeging van appropriate

Onbepaalde wijs (infinitief): to appropriate

Engels

Nederlands

Present

  • I appropriate
  • you appropriate
  • he/she/it appropriates
  • we appropriate
  • you appropriate
  • they appropriate

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik oormerk
  • jij oormerkt
  • hij/zij/het oormerkt
  • wij oormerken
  • jullie oormerken
  • zij oormerken

Simple past

  • I appropriated
  • you appropriated
  • he/she/it appropriated
  • we appropriated
  • you appropriated
  • they appropriated

Onvoltooid verleden tijd

  • ik oormerkte
  • jij oormerkte
  • hij/zij/het oormerkte
  • wij oormerkten
  • jullie oormerkten
  • zij oormerkten

Present perfect

  • I have appropriated
  • you have appropriated
  • he/she/it has appropriated
  • we have appropriated
  • you have appropriated
  • they have appropriated

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb geöormerkt
  • jij hebt geöormerkt
  • hij/zij/het heeft geöormerkt
  • wij hebben geöormerkt
  • jullie hebben geöormerkt
  • zij hebben geöormerkt

Past perfect

  • I had appropriated
  • you had appropriated
  • he/she/it had appropriated
  • we had appropriated
  • you had appropriated
  • they had appropriated

Voltooid verleden tijd

  • ik had geöormerkt
  • jij had geöormerkt
  • hij/zij/het had geöormerkt
  • wij hadden geöormerkt
  • jullie hadden geöormerkt
  • zij hadden geöormerkt

Future

  • I will appropriate
  • you will appropriate
  • he/she/it will appropriate
  • we will appropriate
  • you will appropriate
  • they will appropriate

Toekomende tijd I

  • ik zal oormerken
  • jij zult oormerken
  • hij/zij/het zal oormerken
  • wij zullen oormerken
  • jullie zullen oormerken
  • zij zullen oormerken

Future perfect

  • I will have appropriated
  • you will have appropriated
  • he/she/it will have appropriated
  • we will have appropriated
  • you will have appropriated
  • they will have appropriated

Toekomende tijd II

  • ik zal geöormerkt hebben
  • jij zult geöormerkt hebben
  • hij/zij/het zal geöormerkt hebben
  • wij zullen geöormerkt hebben
  • jullie zullen geöormerkt hebben
  • zij zullen geöormerkt hebben

Conditional present

  • I would appropriate
  • you would appropriate
  • he/she/it would appropriate
  • we would appropriate
  • you would appropriate
  • they would appropriate

Conditionalis I

  • ik zou oormerken
  • jij zou oormerken
  • hij/zij/het zou oormerken
  • wij zouden oormerken
  • jullie zouden oormerken
  • zij zouden oormerken

Conditional perfect

  • I would have appropriated
  • you would have appropriated
  • he/she/it would have appropriated
  • we would have appropriated
  • you would have appropriated
  • they would have appropriated

Conditionalis II

  • ik zou hebben geöormerkt
  • jij zou hebben geöormerkt
  • hij/zij/het zou hebben geöormerkt
  • wij zouden hebben geöormerkt
  • jullie zouden hebben geöormerkt
  • zij zouden hebben geöormerkt

Imperative

  • you appropriate
  • you appropriate

Imperatief

  • jij oormerk
  • jullie oormerkt

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van appropriate