Vervoeging van bestellen


Nederlands

Frans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik bestel
  • jij bestelt
  • hij/zij/het bestelt
  • wij bestellen
  • jullie bestellen
  • zij bestellen

Présent

  • je commande
  • tu commandes
  • il/elle commande
  • nous commandons
  • vous commandez
  • ils/elles commandent

Onvoltooid verleden tijd

  • ik bestelde
  • jij bestelde
  • hij/zij/het bestelde
  • wij bestelden
  • jullie bestelden
  • zij bestelden

Indicatif imparfait

  • je commandais
  • tu commandais
  • il/elle commandait
  • nous commandions
  • vous commandiez
  • ils/elles commandaient

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb besteld
  • jij hebt besteld
  • hij/zij/het heeft besteld
  • wij hebben besteld
  • jullie hebben besteld
  • zij hebben besteld

Indicatif passé composé

  • j'ai commandé
  • tu as commandé
  • il/elle a commandé
  • nous avons commandé
  • vous avez commandé
  • ils/elles ont commandé

Voltooid verleden tijd

  • ik had besteld
  • jij had besteld
  • hij/zij/het had besteld
  • wij hadden besteld
  • jullie hadden besteld
  • zij hadden besteld

Indicatif plus-que-parfait

  • j'avais commandé
  • tu avais commandé
  • il/elle avait commandé
  • nous avions commandé
  • vous aviez commandé
  • ils/elles avaient commandé

Toekomende tijd I

  • ik zal bestellen
  • jij zult bestellen
  • hij/zij/het zal bestellen
  • wij zullen bestellen
  • jullie zullen bestellen
  • zij zullen bestellen

Indicatif futur

  • je commanderai
  • tu commanderas
  • il/elle commandera
  • nous commanderons
  • vous commanderez
  • ils/elles commanderont

Toekomende tijd II

  • ik zal besteld hebben
  • jij zult besteld hebben
  • hij/zij/het zal besteld hebben
  • wij zullen besteld hebben
  • jullie zullen besteld hebben
  • zij zullen besteld hebben

Indicatif futur antérieur

  • j'aurai commandé
  • tu auras commandé
  • il/elle aura commandé
  • nous aurons commandé
  • vous aurez commandé
  • ils/elles auront commandé

Conditionalis I

  • ik zou bestellen
  • jij zou bestellen
  • hij/zij/het zou bestellen
  • wij zouden bestellen
  • jullie zouden bestellen
  • zij zouden bestellen

Conditionnel présent

  • je commanderais
  • tu commanderais
  • il/elle commanderait
  • nous commanderions
  • vous commanderiez
  • ils/elles commanderaient

Conditionalis II

  • ik zou hebben besteld
  • jij zou hebben besteld
  • hij/zij/het zou hebben besteld
  • wij zouden hebben besteld
  • jullie zouden hebben besteld
  • zij zouden hebben besteld

Conditionnel passé (1ère forme)

  • j'aurais commandé
  • tu aurais commandé
  • il/elle aurait commandé
  • nous aurions commandé
  • vous auriez commandé
  • ils/elles auraient commandé

Imperatief

  • jij bestel
  • jullie bestelt

Impératif

  • tu commande
  • vous commandez

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van bestellen