Vervoeging van bevestigen

Onbepaalde wijs (infinitief): bevestigen


Nederlands

Spaans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik bevestig
  • jij bevestigt
  • hij/zij/het bevestigt
  • wij bevestigen
  • jullie bevestigen
  • zij bevestigen

Indicativo presente

  • yo fijo
  • fijas
  • él/ella fija
  • nosotros fijamos
  • vosotros fijáis
  • ellos/ellas fijan

Onvoltooid verleden tijd

  • ik bevestigde
  • jij bevestigde
  • hij/zij/het bevestigde
  • wij bevestigden
  • jullie bevestigden
  • zij bevestigden

Indefinido

  • yo fijé
  • fijaste
  • él/ella fijó
  • nosotros fijamos
  • vosotros fijasteis
  • ellos/ellas fijaron

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb bevestigd
  • jij hebt bevestigd
  • hij/zij/het heeft bevestigd
  • wij hebben bevestigd
  • jullie hebben bevestigd
  • zij hebben bevestigd

Pretérito perfecto compuesto

  • yo he fijado
  • has fijado
  • él/ella ha fijado
  • nosotros hemos fijado
  • vosotros habéis fijado
  • ellos/ellas han fijado

Voltooid verleden tijd

  • ik had bevestigd
  • jij had bevestigd
  • hij/zij/het had bevestigd
  • wij hadden bevestigd
  • jullie hadden bevestigd
  • zij hadden bevestigd

Pluscuamperfecto

  • yo había fijado
  • habías fijado
  • él/ella había fijado
  • nosotros habíamos fijado
  • vosotros habíais fijado
  • ellos/ellas habían fijado

Toekomende tijd I

  • ik zal bevestigen
  • jij zult bevestigen
  • hij/zij/het zal bevestigen
  • wij zullen bevestigen
  • jullie zullen bevestigen
  • zij zullen bevestigen

Futuro I

  • yo fijaré
  • fijarás
  • él/ella fijará
  • nosotros fijaremos
  • vosotros fijaréis
  • ellos/ellas fijarán

Toekomende tijd II

  • ik zal bevestigd hebben
  • jij zult bevestigd hebben
  • hij/zij/het zal bevestigd hebben
  • wij zullen bevestigd hebben
  • jullie zullen bevestigd hebben
  • zij zullen bevestigd hebben

Futuro perfecto

  • yo habré fijado
  • habrás fijado
  • él/ella habrá fijado
  • nosotros habremos fijado
  • vosotros habréis fijado
  • ellos/ellas habrán fijado

Conditionalis I

  • ik zou bevestigen
  • jij zou bevestigen
  • hij/zij/het zou bevestigen
  • wij zouden bevestigen
  • jullie zouden bevestigen
  • zij zouden bevestigen

Condicional

  • yo fijaría
  • fijarías
  • él/ella fijaría
  • nosotros fijaríamos
  • vosotros fijaríais
  • ellos/ellas fijarían

Conditionalis II

  • ik zou hebben bevestigd
  • jij zou hebben bevestigd
  • hij/zij/het zou hebben bevestigd
  • wij zouden hebben bevestigd
  • jullie zouden hebben bevestigd
  • zij zouden hebben bevestigd

Condicional perfecto

  • yo habría fijado
  • habrías fijado
  • él/ella habría fijado
  • nosotros habríamos fijado
  • vosotros habríais fijado
  • ellos/ellas habrían fijado

Imperatief

  • jij bevestig
  • jullie bevestigt

Imperativo presente

  • fija
  • vosotros fijad

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van bevestigen