Vervoeging van bijpassen

Er is helaas geen Spaanse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik pas bij
    • jij past bij
    • hij/zij/het past bij
    • wij passen bij
    • jullie passen bij
    • zij passen bij
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik paste bij
    • jij paste bij
    • hij/zij/het paste bij
    • wij pasten bij
    • jullie pasten bij
    • zij pasten bij
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb bijgepast
    • jij hebt bijgepast
    • hij/zij/het heeft bijgepast
    • wij hebben bijgepast
    • jullie hebben bijgepast
    • zij hebben bijgepast
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had bijgepast
    • jij had bijgepast
    • hij/zij/het had bijgepast
    • wij hadden bijgepast
    • jullie hadden bijgepast
    • zij hadden bijgepast
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bijpassen
    • jij zult bijpassen
    • hij/zij/het zal bijpassen
    • wij zullen bijpassen
    • jullie zullen bijpassen
    • zij zullen bijpassen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal bijgepast hebben
    • jij zult bijgepast hebben
    • hij/zij/het zal bijgepast hebben
    • wij zullen bijgepast hebben
    • jullie zullen bijgepast hebben
    • zij zullen bijgepast hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou bijpassen
    • jij zou bijpassen
    • hij/zij/het zou bijpassen
    • wij zouden bijpassen
    • jullie zouden bijpassen
    • zij zouden bijpassen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben bijgepast
    • jij zou hebben bijgepast
    • hij/zij/het zou hebben bijgepast
    • wij zouden hebben bijgepast
    • jullie zouden hebben bijgepast
    • zij zouden hebben bijgepast
  • Imperatief

    • jij pas bij
    • jullie past bij

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van bijpassen