Vervoeging van class

Engels

Nederlands

Present

  • I class
  • you class
  • he/she/it classes
  • we class
  • you class
  • they class

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik rubriceer
  • jij rubriceert
  • hij/zij/het rubriceert
  • wij rubriceren
  • jullie rubriceren
  • zij rubriceren

Simple past

  • I classed
  • you classed
  • he/she/it classed
  • we classed
  • you classed
  • they classed

Onvoltooid verleden tijd

  • ik rubriceerde
  • jij rubriceerde
  • hij/zij/het rubriceerde
  • wij rubriceerden
  • jullie rubriceerden
  • zij rubriceerden

Present perfect

  • I have classed
  • you have classed
  • he/she/it has classed
  • we have classed
  • you have classed
  • they have classed

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb gerubriceerd
  • jij hebt gerubriceerd
  • hij/zij/het heeft gerubriceerd
  • wij hebben gerubriceerd
  • jullie hebben gerubriceerd
  • zij hebben gerubriceerd

Past perfect

  • I had classed
  • you had classed
  • he/she/it had classed
  • we had classed
  • you had classed
  • they had classed

Voltooid verleden tijd

  • ik had gerubriceerd
  • jij had gerubriceerd
  • hij/zij/het had gerubriceerd
  • wij hadden gerubriceerd
  • jullie hadden gerubriceerd
  • zij hadden gerubriceerd

Future

  • I will class
  • you will class
  • he/she/it will class
  • we will class
  • you will class
  • they will class

Toekomende tijd I

  • ik zal rubriceren
  • jij zult rubriceren
  • hij/zij/het zal rubriceren
  • wij zullen rubriceren
  • jullie zullen rubriceren
  • zij zullen rubriceren

Future perfect

  • I will have classed
  • you will have classed
  • he/she/it will have classed
  • we will have classed
  • you will have classed
  • they will have classed

Toekomende tijd II

  • ik zal gerubriceerd hebben
  • jij zult gerubriceerd hebben
  • hij/zij/het zal gerubriceerd hebben
  • wij zullen gerubriceerd hebben
  • jullie zullen gerubriceerd hebben
  • zij zullen gerubriceerd hebben

Conditional present

  • I would class
  • you would class
  • he/she/it would class
  • we would class
  • you would class
  • they would class

Conditionalis I

  • ik zou rubriceren
  • jij zou rubriceren
  • hij/zij/het zou rubriceren
  • wij zouden rubriceren
  • jullie zouden rubriceren
  • zij zouden rubriceren

Conditional perfect

  • I would have classed
  • you would have classed
  • he/she/it would have classed
  • we would have classed
  • you would have classed
  • they would have classed

Conditionalis II

  • ik zou hebben gerubriceerd
  • jij zou hebben gerubriceerd
  • hij/zij/het zou hebben gerubriceerd
  • wij zouden hebben gerubriceerd
  • jullie zouden hebben gerubriceerd
  • zij zouden hebben gerubriceerd

Imperative

  • you class
  • you class

Imperatief

  • jij rubriceer
  • jullie rubriceert

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van class