Engels

Nederlands

Present

  • he/she/it echoes
  • they echo

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het weergalmt
  • zij weergalmen

Simple past

  • he/she/it echoed
  • they echoed

Onvoltooid verleden tijd

  • hij/zij/het weergalmde
  • zij weergalmden

Present perfect

  • he/she/it has echoed
  • they have echoed

Voltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het heeft weergalmd
  • zij hebben weergalmd

Past perfect

  • he/she/it had echoed
  • they had echoed

Voltooid verleden tijd

  • hij/zij/het had weergalmd
  • zij hadden weergalmd

Future

  • he/she/it will echo
  • they will echo

Toekomende tijd I

  • hij/zij/het zal weergalmen
  • zij zult weergalmen

Future perfect

  • he/she/it will have echoed
  • they will have echoed

Toekomende tijd II

  • hij/zij/het zal weergalmd hebben
  • zij zult weergalmd hebben

Conditional present

  • he/she/it would echo
  • they would echo

Conditionalis I

  • hij/zij/het zal weergalmen
  • zij zullen weergalmen

Conditional perfect

  • he/she/it would have echoed
  • they would have echoed

Conditionalis II

  • hij/zij/het zal hebben weergalmd
  • zij zullen hebben weergalmd

Verwijzingen

Bekijk 10 definitie(s) van echo