Vervoeging van heten


Nederlands

Frans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik heet
  • jij heet
  • hij/zij/het heet
  • wij heten
  • jullie heten
  • zij heten

Présent

  • je minaude
  • tu minaudes
  • il/elle minaude
  • nous minaudons
  • vous minaudez
  • ils/elles minaudent

Onvoltooid verleden tijd

  • ik heette
  • jij heette
  • hij/zij/het heette
  • wij heetten
  • jullie heetten
  • zij heetten

Indicatif imparfait

  • je minaudais
  • tu minaudais
  • il/elle minaudait
  • nous minaudions
  • vous minaudiez
  • ils/elles minaudaient

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb geheet
  • jij hebt geheet
  • hij/zij/het heeft geheet
  • wij hebben geheet
  • jullie hebben geheet
  • zij hebben geheet

Indicatif passé composé

  • j'ai minaudé
  • tu as minaudé
  • il/elle a minaudé
  • nous avons minaudé
  • vous avez minaudé
  • ils/elles ont minaudé

Voltooid verleden tijd

  • ik had geheet
  • jij had geheet
  • hij/zij/het had geheet
  • wij hadden geheet
  • jullie hadden geheet
  • zij hadden geheet

Indicatif plus-que-parfait

  • j'avais minaudé
  • tu avais minaudé
  • il/elle avait minaudé
  • nous avions minaudé
  • vous aviez minaudé
  • ils/elles avaient minaudé

Toekomende tijd I

  • ik zal heten
  • jij zult heten
  • hij/zij/het zal heten
  • wij zullen heten
  • jullie zullen heten
  • zij zullen heten

Indicatif futur

  • je minauderai
  • tu minauderas
  • il/elle minaudera
  • nous minauderons
  • vous minauderez
  • ils/elles minauderont

Toekomende tijd II

  • ik zal geheet hebben
  • jij zult geheet hebben
  • hij/zij/het zal geheet hebben
  • wij zullen geheet hebben
  • jullie zullen geheet hebben
  • zij zullen geheet hebben

Indicatif futur antérieur

  • j'aurai minaudé
  • tu auras minaudé
  • il/elle aura minaudé
  • nous aurons minaudé
  • vous aurez minaudé
  • ils/elles auront minaudé

Conditionalis I

  • ik zou heten
  • jij zou heten
  • hij/zij/het zou heten
  • wij zouden heten
  • jullie zouden heten
  • zij zouden heten

Conditionnel présent

  • je minauderais
  • tu minauderais
  • il/elle minauderait
  • nous minauderions
  • vous minauderiez
  • ils/elles minauderaient

Conditionalis II

  • ik zou hebben geheet
  • jij zou hebben geheet
  • hij/zij/het zou hebben geheet
  • wij zouden hebben geheet
  • jullie zouden hebben geheet
  • zij zouden hebben geheet

Conditionnel passé (1ère forme)

  • j'aurais minaudé
  • tu aurais minaudé
  • il/elle aurait minaudé
  • nous aurions minaudé
  • vous auriez minaudé
  • ils/elles auraient minaudé

Imperatief

  • jij heet
  • jullie heet

Impératif

  • tu minaude
  • vous minaudez

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van heten