Vervoeging van japen

Er is helaas geen Franse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik jaap
    • jij jaapt
    • hij/zij/het jaapt
    • wij japen
    • jullie japen
    • zij japen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik jaapte
    • jij jaapte
    • hij/zij/het jaapte
    • wij jaapten
    • jullie jaapten
    • zij jaapten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gejaapt
    • jij hebt gejaapt
    • hij/zij/het heeft gejaapt
    • wij hebben gejaapt
    • jullie hebben gejaapt
    • zij hebben gejaapt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gejaapt
    • jij had gejaapt
    • hij/zij/het had gejaapt
    • wij hadden gejaapt
    • jullie hadden gejaapt
    • zij hadden gejaapt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal japen
    • jij zult japen
    • hij/zij/het zal japen
    • wij zullen japen
    • jullie zullen japen
    • zij zullen japen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gejaapt hebben
    • jij zult gejaapt hebben
    • hij/zij/het zal gejaapt hebben
    • wij zullen gejaapt hebben
    • jullie zullen gejaapt hebben
    • zij zullen gejaapt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou japen
    • jij zou japen
    • hij/zij/het zou japen
    • wij zouden japen
    • jullie zouden japen
    • zij zouden japen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gejaapt
    • jij zou hebben gejaapt
    • hij/zij/het zou hebben gejaapt
    • wij zouden hebben gejaapt
    • jullie zouden hebben gejaapt
    • zij zouden hebben gejaapt
  • Imperatief

    • jij jaap
    • jullie jaapt