Vervoeging van omcirkelen

Onbepaalde wijs (infinitief): omcirkelen

Er is helaas geen Duitse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik omcirkel
    • jij omcirkelt
    • hij/zij/het omcirkelt
    • wij omcirkelen
    • jullie omcirkelen
    • zij omcirkelen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik omcirkelde
    • jij omcirkelde
    • hij/zij/het omcirkelde
    • wij omcirkelden
    • jullie omcirkelden
    • zij omcirkelden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb omcirkeld
    • jij hebt omcirkeld
    • hij/zij/het heeft omcirkeld
    • wij hebben omcirkeld
    • jullie hebben omcirkeld
    • zij hebben omcirkeld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had omcirkeld
    • jij had omcirkeld
    • hij/zij/het had omcirkeld
    • wij hadden omcirkeld
    • jullie hadden omcirkeld
    • zij hadden omcirkeld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal omcirkelen
    • jij zult omcirkelen
    • hij/zij/het zal omcirkelen
    • wij zullen omcirkelen
    • jullie zullen omcirkelen
    • zij zullen omcirkelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal omcirkeld hebben
    • jij zult omcirkeld hebben
    • hij/zij/het zal omcirkeld hebben
    • wij zullen omcirkeld hebben
    • jullie zullen omcirkeld hebben
    • zij zullen omcirkeld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou omcirkelen
    • jij zou omcirkelen
    • hij/zij/het zou omcirkelen
    • wij zouden omcirkelen
    • jullie zouden omcirkelen
    • zij zouden omcirkelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben omcirkeld
    • jij zou hebben omcirkeld
    • hij/zij/het zou hebben omcirkeld
    • wij zouden hebben omcirkeld
    • jullie zouden hebben omcirkeld
    • zij zouden hebben omcirkeld
  • Imperatief

    • jij omcirkel
    • jullie omcirkelt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van omcirkelen