Vervoeging van opbrengen


Nederlands

Duits

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik breng op
  • jij brengt op
  • hij/zij/het brengt op
  • wij brengen op
  • jullie brengen op
  • zij brengen op

Präsens Indikativ

  • ich gewahre
  • du gewahrst
  • er/sie/es gewahrt
  • wir gewahren
  • ihr gewahrt
  • sie gewahren

Onvoltooid verleden tijd

  • ik bracht op
  • jij bracht op
  • hij/zij/het bracht op
  • wij brachten op
  • jullie brachten op
  • zij brachten op

Präteritum Indikativ

  • ich gewahrte
  • du gewahrtest
  • er/sie/es gewahrte
  • wir gewahrten
  • ihr gewahrtet
  • sie gewahrten

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb opgebracht
  • jij hebt opgebracht
  • hij/zij/het heeft opgebracht
  • wij hebben opgebracht
  • jullie hebben opgebracht
  • zij hebben opgebracht

Perfekt Indikativ

  • ich habe gewahrt
  • du hast gewahrt
  • er/sie/es hat gewahrt
  • wir haben gewahrt
  • ihr habt gewahrt
  • sie haben gewahrt

Voltooid verleden tijd

  • ik had opgebracht
  • jij had opgebracht
  • hij/zij/het had opgebracht
  • wij hadden opgebracht
  • jullie hadden opgebracht
  • zij hadden opgebracht

Plusquamperfekt Indikativ

  • ich hatte gewahrt
  • du hattest gewahrt
  • er/sie/es hatte gewahrt
  • wir hatten gewahrt
  • ihr hattet gewahrt
  • sie hatten gewahrt

Toekomende tijd I

  • ik zal opbrengen
  • jij zult opbrengen
  • hij/zij/het zal opbrengen
  • wij zullen opbrengen
  • jullie zullen opbrengen
  • zij zullen opbrengen

Futur I Indikativ

  • ich werde gewahren
  • du wirst gewahren
  • er/sie/es wird gewahren
  • wir werden gewahren
  • ihr werdet gewahren
  • sie werden gewahren

Toekomende tijd II

  • ik zal opgebracht hebben
  • jij zult opgebracht hebben
  • hij/zij/het zal opgebracht hebben
  • wij zullen opgebracht hebben
  • jullie zullen opgebracht hebben
  • zij zullen opgebracht hebben

Futur II Indikativ

  • ich werde gewahrt haben
  • du wirst gewahrt haben
  • er/sie/es wird gewahrt haben
  • wir werden gewahrt haben
  • ihr werdet gewahrt haben
  • sie werden gewahrt haben

Conditionalis I

  • ik zou opbrengen
  • jij zou opbrengen
  • hij/zij/het zou opbrengen
  • wij zouden opbrengen
  • jullie zouden opbrengen
  • zij zouden opbrengen

Futur I Konjunktiv II

  • ich würde gewahren
  • du würdest gewahren
  • er/sie/es würde gewahren
  • wir würden gewahren
  • ihr würdet gewahren
  • sie würden gewahren

Conditionalis II

  • ik zou hebben opgebracht
  • jij zou hebben opgebracht
  • hij/zij/het zou hebben opgebracht
  • wij zouden hebben opgebracht
  • jullie zouden hebben opgebracht
  • zij zouden hebben opgebracht

Futur II Konjunktiv II

  • ich würde gewahrt haben
  • du würdest gewahrt haben
  • er/sie/es würde gewahrt haben
  • wir würden gewahrt haben
  • ihr würdet gewahrt haben
  • sie würden gewahrt haben

Imperatief

  • jij breng op
  • jullie brengt op

Imperativ

  • du gewahr(e)
  • ihr gewahrt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van opbrengen