Vervoeging van opscheppen

Onbepaalde wijs (infinitief): opscheppen


Nederlands

Duits

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik schep op
  • jij schept op
  • hij/zij/het schept op
  • wij scheppen op
  • jullie scheppen op
  • zij scheppen op

Präsens Indikativ

  • ich ausposaune
  • du ausposaunst
  • er/sie/es ausposaunt
  • wir ausposaunen
  • ihr ausposaunt
  • sie ausposaunen

Onvoltooid verleden tijd

  • ik schepte op
  • jij schepte op
  • hij/zij/het schepte op
  • wij schepten op
  • jullie schepten op
  • zij schepten op

Präteritum Indikativ

  • ich ausposaunte
  • du ausposauntest
  • er/sie/es ausposaunte
  • wir ausposaunten
  • ihr ausposauntet
  • sie ausposaunten

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb opgeschept
  • jij hebt opgeschept
  • hij/zij/het heeft opgeschept
  • wij hebben opgeschept
  • jullie hebben opgeschept
  • zij hebben opgeschept

Perfekt Indikativ

  • ich habe ausposaunt
  • du hast ausposaunt
  • er/sie/es hat ausposaunt
  • wir haben ausposaunt
  • ihr habt ausposaunt
  • sie haben ausposaunt

Voltooid verleden tijd

  • ik had opgeschept
  • jij had opgeschept
  • hij/zij/het had opgeschept
  • wij hadden opgeschept
  • jullie hadden opgeschept
  • zij hadden opgeschept

Plusquamperfekt Indikativ

  • ich hatte ausposaunt
  • du hattest ausposaunt
  • er/sie/es hatte ausposaunt
  • wir hatten ausposaunt
  • ihr hattet ausposaunt
  • sie hatten ausposaunt

Toekomende tijd I

  • ik zal opscheppen
  • jij zult opscheppen
  • hij/zij/het zal opscheppen
  • wij zullen opscheppen
  • jullie zullen opscheppen
  • zij zullen opscheppen

Futur I Indikativ

  • ich werde ausposaunen
  • du wirst ausposaunen
  • er/sie/es wird ausposaunen
  • wir werden ausposaunen
  • ihr werdet ausposaunen
  • sie werden ausposaunen

Toekomende tijd II

  • ik zal opgeschept hebben
  • jij zult opgeschept hebben
  • hij/zij/het zal opgeschept hebben
  • wij zullen opgeschept hebben
  • jullie zullen opgeschept hebben
  • zij zullen opgeschept hebben

Futur II Indikativ

  • ich werde ausposaunt haben
  • du wirst ausposaunt haben
  • er/sie/es wird ausposaunt haben
  • wir werden ausposaunt haben
  • ihr werdet ausposaunt haben
  • sie werden ausposaunt haben

Conditionalis I

  • ik zou opscheppen
  • jij zou opscheppen
  • hij/zij/het zou opscheppen
  • wij zouden opscheppen
  • jullie zouden opscheppen
  • zij zouden opscheppen

Futur I Konjunktiv II

  • ich würde ausposaunen
  • du würdest ausposaunen
  • er/sie/es würde ausposaunen
  • wir würden ausposaunen
  • ihr würdet ausposaunen
  • sie würden ausposaunen

Conditionalis II

  • ik zou hebben opgeschept
  • jij zou hebben opgeschept
  • hij/zij/het zou hebben opgeschept
  • wij zouden hebben opgeschept
  • jullie zouden hebben opgeschept
  • zij zouden hebben opgeschept

Futur II Konjunktiv II

  • ich würde ausposaunt haben
  • du würdest ausposaunt haben
  • er/sie/es würde ausposaunt haben
  • wir würden ausposaunt haben
  • ihr würdet ausposaunt haben
  • sie würden ausposaunt haben

Imperatief

  • jij schep op
  • jullie schept op

Imperativ

  • du ausposaun(e)
  • ihr ausposaunt

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van opscheppen