Vervoeging van opscheppen

Onbepaalde wijs (infinitief): opscheppen


Nederlands

Duits

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik schep op
  • jij schept op
  • hij/zij/het schept op
  • wij scheppen op
  • jullie scheppen op
  • zij scheppen op

Präsens Indikativ

  • ich prahle
  • du prahlst
  • er/sie/es prahlt
  • wir prahlen
  • ihr prahlt
  • sie prahlen

Onvoltooid verleden tijd

  • ik schepte op
  • jij schepte op
  • hij/zij/het schepte op
  • wij schepten op
  • jullie schepten op
  • zij schepten op

Präteritum Indikativ

  • ich prahlte
  • du prahltest
  • er/sie/es prahlte
  • wir prahlten
  • ihr prahltet
  • sie prahlten

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb opgeschept
  • jij hebt opgeschept
  • hij/zij/het heeft opgeschept
  • wij hebben opgeschept
  • jullie hebben opgeschept
  • zij hebben opgeschept

Perfekt Indikativ

  • ich habe geprahlt
  • du hast geprahlt
  • er/sie/es hat geprahlt
  • wir haben geprahlt
  • ihr habt geprahlt
  • sie haben geprahlt

Voltooid verleden tijd

  • ik had opgeschept
  • jij had opgeschept
  • hij/zij/het had opgeschept
  • wij hadden opgeschept
  • jullie hadden opgeschept
  • zij hadden opgeschept

Plusquamperfekt Indikativ

  • ich hatte geprahlt
  • du hattest geprahlt
  • er/sie/es hatte geprahlt
  • wir hatten geprahlt
  • ihr hattet geprahlt
  • sie hatten geprahlt

Toekomende tijd I

  • ik zal opscheppen
  • jij zult opscheppen
  • hij/zij/het zal opscheppen
  • wij zullen opscheppen
  • jullie zullen opscheppen
  • zij zullen opscheppen

Futur I Indikativ

  • ich werde prahlen
  • du wirst prahlen
  • er/sie/es wird prahlen
  • wir werden prahlen
  • ihr werdet prahlen
  • sie werden prahlen

Toekomende tijd II

  • ik zal opgeschept hebben
  • jij zult opgeschept hebben
  • hij/zij/het zal opgeschept hebben
  • wij zullen opgeschept hebben
  • jullie zullen opgeschept hebben
  • zij zullen opgeschept hebben

Futur II Indikativ

  • ich werde geprahlt haben
  • du wirst geprahlt haben
  • er/sie/es wird geprahlt haben
  • wir werden geprahlt haben
  • ihr werdet geprahlt haben
  • sie werden geprahlt haben

Conditionalis I

  • ik zou opscheppen
  • jij zou opscheppen
  • hij/zij/het zou opscheppen
  • wij zouden opscheppen
  • jullie zouden opscheppen
  • zij zouden opscheppen

Futur I Konjunktiv II

  • ich würde prahlen
  • du würdest prahlen
  • er/sie/es würde prahlen
  • wir würden prahlen
  • ihr würdet prahlen
  • sie würden prahlen

Conditionalis II

  • ik zou hebben opgeschept
  • jij zou hebben opgeschept
  • hij/zij/het zou hebben opgeschept
  • wij zouden hebben opgeschept
  • jullie zouden hebben opgeschept
  • zij zouden hebben opgeschept

Futur II Konjunktiv II

  • ich würde geprahlt haben
  • du würdest geprahlt haben
  • er/sie/es würde geprahlt haben
  • wir würden geprahlt haben
  • ihr würdet geprahlt haben
  • sie würden geprahlt haben

Imperatief

  • jij schep op
  • jullie schept op

Imperativ

  • du prahl(e)
  • ihr prahlt

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van opscheppen