Vervoeging van overleven


Nederlands

Spaans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik overleef
  • jij overleeft
  • hij/zij/het overleeft
  • wij overleven
  • jullie overleven
  • zij overleven

Indicativo presente

  • yo aguanto
  • aguantas
  • él/ella aguanta
  • nosotros aguantamos
  • vosotros aguantáis
  • ellos/ellas aguantan

Onvoltooid verleden tijd

  • ik overleefde
  • jij overleefde
  • hij/zij/het overleefde
  • wij overleefden
  • jullie overleefden
  • zij overleefden

Indefinido

  • yo aguanté
  • aguantaste
  • él/ella aguantó
  • nosotros aguantamos
  • vosotros aguantasteis
  • ellos/ellas aguantaron

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb overleefd
  • jij hebt overleefd
  • hij/zij/het heeft overleefd
  • wij hebben overleefd
  • jullie hebben overleefd
  • zij hebben overleefd

Pretérito perfecto compuesto

  • yo he aguantado
  • has aguantado
  • él/ella ha aguantado
  • nosotros hemos aguantado
  • vosotros habéis aguantado
  • ellos/ellas han aguantado

Voltooid verleden tijd

  • ik had overleefd
  • jij had overleefd
  • hij/zij/het had overleefd
  • wij hadden overleefd
  • jullie hadden overleefd
  • zij hadden overleefd

Pluscuamperfecto

  • yo había aguantado
  • habías aguantado
  • él/ella había aguantado
  • nosotros habíamos aguantado
  • vosotros habíais aguantado
  • ellos/ellas habían aguantado

Toekomende tijd I

  • ik zal overleven
  • jij zult overleven
  • hij/zij/het zal overleven
  • wij zullen overleven
  • jullie zullen overleven
  • zij zullen overleven

Futuro I

  • yo aguantaré
  • aguantarás
  • él/ella aguantará
  • nosotros aguantaremos
  • vosotros aguantaréis
  • ellos/ellas aguantarán

Toekomende tijd II

  • ik zal overleefd hebben
  • jij zult overleefd hebben
  • hij/zij/het zal overleefd hebben
  • wij zullen overleefd hebben
  • jullie zullen overleefd hebben
  • zij zullen overleefd hebben

Futuro perfecto

  • yo habré aguantado
  • habrás aguantado
  • él/ella habrá aguantado
  • nosotros habremos aguantado
  • vosotros habréis aguantado
  • ellos/ellas habrán aguantado

Conditionalis I

  • ik zou overleven
  • jij zou overleven
  • hij/zij/het zou overleven
  • wij zouden overleven
  • jullie zouden overleven
  • zij zouden overleven

Condicional

  • yo aguantaría
  • aguantarías
  • él/ella aguantaría
  • nosotros aguantaríamos
  • vosotros aguantaríais
  • ellos/ellas aguantarían

Conditionalis II

  • ik zou hebben overleefd
  • jij zou hebben overleefd
  • hij/zij/het zou hebben overleefd
  • wij zouden hebben overleefd
  • jullie zouden hebben overleefd
  • zij zouden hebben overleefd

Condicional perfecto

  • yo habría aguantado
  • habrías aguantado
  • él/ella habría aguantado
  • nosotros habríamos aguantado
  • vosotros habríais aguantado
  • ellos/ellas habrían aguantado

Imperatief

  • jij overleef
  • jullie overleeft

Imperativo presente

  • aguanta
  • vosotros aguantad

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van overleven