Vervoeging van practise


Engels

Nederlands

Present

  • I practise
  • you practise
  • he/she/it practises
  • we practise
  • you practise
  • they practise

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik betracht
  • jij betracht
  • hij/zij/het betracht
  • wij betrachten
  • jullie betrachten
  • zij betrachten

Simple past

  • I practised
  • you practised
  • he/she/it practised
  • we practised
  • you practised
  • they practised

Onvoltooid verleden tijd

  • ik betrachtte
  • jij betrachtte
  • hij/zij/het betrachtte
  • wij betrachtten
  • jullie betrachtten
  • zij betrachtten

Present perfect

  • I have practised
  • you have practised
  • he/she/it has practised
  • we have practised
  • you have practised
  • they have practised

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb betracht
  • jij hebt betracht
  • hij/zij/het heeft betracht
  • wij hebben betracht
  • jullie hebben betracht
  • zij hebben betracht

Past perfect

  • I had practised
  • you had practised
  • he/she/it had practised
  • we had practised
  • you had practised
  • they had practised

Voltooid verleden tijd

  • ik had betracht
  • jij had betracht
  • hij/zij/het had betracht
  • wij hadden betracht
  • jullie hadden betracht
  • zij hadden betracht

Future

  • I will practise
  • you will practise
  • he/she/it will practise
  • we will practise
  • you will practise
  • they will practise

Toekomende tijd I

  • ik zal betrachten
  • jij zult betrachten
  • hij/zij/het zal betrachten
  • wij zullen betrachten
  • jullie zullen betrachten
  • zij zullen betrachten

Future perfect

  • I will have practised
  • you will have practised
  • he/she/it will have practised
  • we will have practised
  • you will have practised
  • they will have practised

Toekomende tijd II

  • ik zal betracht hebben
  • jij zult betracht hebben
  • hij/zij/het zal betracht hebben
  • wij zullen betracht hebben
  • jullie zullen betracht hebben
  • zij zullen betracht hebben

Conditional present

  • I would practise
  • you would practise
  • he/she/it would practise
  • we would practise
  • you would practise
  • they would practise

Conditionalis I

  • ik zou betrachten
  • jij zou betrachten
  • hij/zij/het zou betrachten
  • wij zouden betrachten
  • jullie zouden betrachten
  • zij zouden betrachten

Conditional perfect

  • I would have practised
  • you would have practised
  • he/she/it would have practised
  • we would have practised
  • you would have practised
  • they would have practised

Conditionalis II

  • ik zou hebben betracht
  • jij zou hebben betracht
  • hij/zij/het zou hebben betracht
  • wij zouden hebben betracht
  • jullie zouden hebben betracht
  • zij zouden hebben betracht

Imperative

  • you practise
  • you practise

Imperatief

  • jij betracht
  • jullie betracht

Verwijzingen

Bekijk 7 definitie(s) van practise