Vervoeging van pramen

Nederlands

Engels

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik praam
  • jij praamt
  • hij/zij/het praamt
  • wij pramen
  • jullie pramen
  • zij pramen

Present

  • I exhort
  • you exhort
  • he/she/it exhorts
  • we exhort
  • you exhort
  • they exhort

Onvoltooid verleden tijd

  • ik praamde
  • jij praamde
  • hij/zij/het praamde
  • wij praamden
  • jullie praamden
  • zij praamden

Simple past

  • I exhorted
  • you exhorted
  • he/she/it exhorted
  • we exhorted
  • you exhorted
  • they exhorted

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb gepraamd
  • jij hebt gepraamd
  • hij/zij/het heeft gepraamd
  • wij hebben gepraamd
  • jullie hebben gepraamd
  • zij hebben gepraamd

Present perfect

  • I have exhorted
  • you have exhorted
  • he/she/it has exhorted
  • we have exhorted
  • you have exhorted
  • they have exhorted

Voltooid verleden tijd

  • ik had gepraamd
  • jij had gepraamd
  • hij/zij/het had gepraamd
  • wij hadden gepraamd
  • jullie hadden gepraamd
  • zij hadden gepraamd

Past perfect

  • I had exhorted
  • you had exhorted
  • he/she/it had exhorted
  • we had exhorted
  • you had exhorted
  • they had exhorted

Toekomende tijd I

  • ik zal pramen
  • jij zult pramen
  • hij/zij/het zal pramen
  • wij zullen pramen
  • jullie zullen pramen
  • zij zullen pramen

Future

  • I will exhort
  • you will exhort
  • he/she/it will exhort
  • we will exhort
  • you will exhort
  • they will exhort

Toekomende tijd II

  • ik zal gepraamd hebben
  • jij zult gepraamd hebben
  • hij/zij/het zal gepraamd hebben
  • wij zullen gepraamd hebben
  • jullie zullen gepraamd hebben
  • zij zullen gepraamd hebben

Future perfect

  • I will have exhorted
  • you will have exhorted
  • he/she/it will have exhorted
  • we will have exhorted
  • you will have exhorted
  • they will have exhorted

Conditionalis I

  • ik zou pramen
  • jij zou pramen
  • hij/zij/het zou pramen
  • wij zouden pramen
  • jullie zouden pramen
  • zij zouden pramen

Conditional present

  • I would exhort
  • you would exhort
  • he/she/it would exhort
  • we would exhort
  • you would exhort
  • they would exhort

Conditionalis II

  • ik zou hebben gepraamd
  • jij zou hebben gepraamd
  • hij/zij/het zou hebben gepraamd
  • wij zouden hebben gepraamd
  • jullie zouden hebben gepraamd
  • zij zouden hebben gepraamd

Conditional perfect

  • I would have exhorted
  • you would have exhorted
  • he/she/it would have exhorted
  • we would have exhorted
  • you would have exhorted
  • they would have exhorted

Imperatief

  • jij praam
  • jullie praamt

Imperative

  • you exhort
  • you exhort

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van pramen