Vervoeging van scheuren


Nederlands

Duits

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik scheur
  • jij scheurt
  • hij/zij/het scheurt
  • wij scheuren
  • jullie scheuren
  • zij scheuren

Präsens Indikativ

  • ich reise
  • du reist
  • er/sie/es reist
  • wir reisen
  • ihr reist
  • sie reisen

Onvoltooid verleden tijd

  • ik scheurde
  • jij scheurde
  • hij/zij/het scheurde
  • wij scheurden
  • jullie scheurden
  • zij scheurden

Präteritum Indikativ

  • ich reiste
  • du reistest
  • er/sie/es reiste
  • wir reisten
  • ihr reistet
  • sie reisten

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb gescheurd
  • jij hebt gescheurd
  • hij/zij/het heeft gescheurd
  • wij hebben gescheurd
  • jullie hebben gescheurd
  • zij hebben gescheurd

Perfekt Indikativ

  • ich bin gereist
  • du bist gereist
  • er/sie/es ist gereist
  • wir sind gereist
  • ihr seid gereist
  • sie sind gereist

Voltooid verleden tijd

  • ik had gescheurd
  • jij had gescheurd
  • hij/zij/het had gescheurd
  • wij hadden gescheurd
  • jullie hadden gescheurd
  • zij hadden gescheurd

Plusquamperfekt Indikativ

  • ich war gereist
  • du warst gereist
  • er/sie/es war gereist
  • wir waren gereist
  • ihr wart gereist
  • sie waren gereist

Toekomende tijd I

  • ik zal scheuren
  • jij zult scheuren
  • hij/zij/het zal scheuren
  • wij zullen scheuren
  • jullie zullen scheuren
  • zij zullen scheuren

Futur I Indikativ

  • ich werde reisen
  • du wirst reisen
  • er/sie/es wird reisen
  • wir werden reisen
  • ihr werdet reisen
  • sie werden reisen

Toekomende tijd II

  • ik zal gescheurd hebben
  • jij zult gescheurd hebben
  • hij/zij/het zal gescheurd hebben
  • wij zullen gescheurd hebben
  • jullie zullen gescheurd hebben
  • zij zullen gescheurd hebben

Futur II Indikativ

  • ich werde gereist sein
  • du wirst gereist sein
  • er/sie/es wird gereist sein
  • wir werden gereist sein
  • ihr werdet gereist sein
  • sie werden gereist sein

Conditionalis I

  • ik zou scheuren
  • jij zou scheuren
  • hij/zij/het zou scheuren
  • wij zouden scheuren
  • jullie zouden scheuren
  • zij zouden scheuren

Futur I Konjunktiv II

  • ich würde reisen
  • du würdest reisen
  • er/sie/es würde reisen
  • wir würden reisen
  • ihr würdet reisen
  • sie würden reisen

Conditionalis II

  • ik zou hebben gescheurd
  • jij zou hebben gescheurd
  • hij/zij/het zou hebben gescheurd
  • wij zouden hebben gescheurd
  • jullie zouden hebben gescheurd
  • zij zouden hebben gescheurd

Futur II Konjunktiv II

  • ich würde gereist sein
  • du würdest gereist sein
  • er/sie/es würde gereist sein
  • wir würden gereist sein
  • ihr würdet gereist sein
  • sie würden gereist sein

Imperatief

  • jij scheur
  • jullie scheurt

Imperativ

  • du reis(e)
  • ihr reist

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van scheuren