Vervoeging van snotteren

Er is helaas geen Italiaanse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik snotter
    • jij snottert
    • hij/zij/het snottert
    • wij snotteren
    • jullie snotteren
    • zij snotteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik snotterde
    • jij snotterde
    • hij/zij/het snotterde
    • wij snotterden
    • jullie snotterden
    • zij snotterden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gesnotterd
    • jij hebt gesnotterd
    • hij/zij/het heeft gesnotterd
    • wij hebben gesnotterd
    • jullie hebben gesnotterd
    • zij hebben gesnotterd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gesnotterd
    • jij had gesnotterd
    • hij/zij/het had gesnotterd
    • wij hadden gesnotterd
    • jullie hadden gesnotterd
    • zij hadden gesnotterd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal snotteren
    • jij zult snotteren
    • hij/zij/het zal snotteren
    • wij zullen snotteren
    • jullie zullen snotteren
    • zij zullen snotteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gesnotterd hebben
    • jij zult gesnotterd hebben
    • hij/zij/het zal gesnotterd hebben
    • wij zullen gesnotterd hebben
    • jullie zullen gesnotterd hebben
    • zij zullen gesnotterd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou snotteren
    • jij zou snotteren
    • hij/zij/het zou snotteren
    • wij zouden snotteren
    • jullie zouden snotteren
    • zij zouden snotteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gesnotterd
    • jij zou hebben gesnotterd
    • hij/zij/het zou hebben gesnotterd
    • wij zouden hebben gesnotterd
    • jullie zouden hebben gesnotterd
    • zij zouden hebben gesnotterd
  • Imperatief

    • jij snotter
    • jullie snottert

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van snotteren