Vervoeging van uitschitteren

Onbepaalde wijs (infinitief): uitschitteren

Er is helaas geen Duitse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik schitter uit
    • jij schittert uit
    • hij/zij/het schittert uit
    • wij schitteren uit
    • jullie schitteren uit
    • zij schitteren uit
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik schitterde uit
    • jij schitterde uit
    • hij/zij/het schitterde uit
    • wij schitterden uit
    • jullie schitterden uit
    • zij schitterden uit
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb uitgeschitterd
    • jij hebt uitgeschitterd
    • hij/zij/het heeft uitgeschitterd
    • wij hebben uitgeschitterd
    • jullie hebben uitgeschitterd
    • zij hebben uitgeschitterd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had uitgeschitterd
    • jij had uitgeschitterd
    • hij/zij/het had uitgeschitterd
    • wij hadden uitgeschitterd
    • jullie hadden uitgeschitterd
    • zij hadden uitgeschitterd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal uitschitteren
    • jij zult uitschitteren
    • hij/zij/het zal uitschitteren
    • wij zullen uitschitteren
    • jullie zullen uitschitteren
    • zij zullen uitschitteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal uitgeschitterd hebben
    • jij zult uitgeschitterd hebben
    • hij/zij/het zal uitgeschitterd hebben
    • wij zullen uitgeschitterd hebben
    • jullie zullen uitgeschitterd hebben
    • zij zullen uitgeschitterd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou uitschitteren
    • jij zou uitschitteren
    • hij/zij/het zou uitschitteren
    • wij zouden uitschitteren
    • jullie zouden uitschitteren
    • zij zouden uitschitteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben uitgeschitterd
    • jij zou hebben uitgeschitterd
    • hij/zij/het zou hebben uitgeschitterd
    • wij zouden hebben uitgeschitterd
    • jullie zouden hebben uitgeschitterd
    • zij zouden hebben uitgeschitterd
  • Imperatief

    • jij schitter uit
    • jullie schittert uit