Vervoeging van verbleken

Vertaling: pâlir


Nederlands

Frans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik verbleek
  • jij verbleekt
  • hij/zij/het verbleekt
  • wij verbleken
  • jullie verbleken
  • zij verbleken

Présent

  • je pâlis
  • tu pâlis
  • il/elle pâlit
  • nous pâlissons
  • vous pâlissez
  • ils/elles pâlissent

Onvoltooid verleden tijd

  • ik verbleekte
  • jij verbleekte
  • hij/zij/het verbleekte
  • wij verbleekten
  • jullie verbleekten
  • zij verbleekten

Indicatif imparfait

  • je pâlissais
  • tu pâlissais
  • il/elle pâlissait
  • nous pâlissions
  • vous pâlissiez
  • ils/elles pâlissaient

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik ben verbleekt
  • jij bent verbleekt
  • hij/zij/het is verbleekt
  • wij zijn verbleekt
  • jullie zijn verbleekt
  • zij zijn verbleekt

Indicatif passé composé

  • j'ai pâli
  • tu as pâli
  • il/elle a pâli
  • nous avons pâli
  • vous avez pâli
  • ils/elles ont pâli

Voltooid verleden tijd

  • ik was verbleekt
  • jij was verbleekt
  • hij/zij/het was verbleekt
  • wij waren verbleekt
  • jullie waren verbleekt
  • zij waren verbleekt

Indicatif plus-que-parfait

  • j'avais pâli
  • tu avais pâli
  • il/elle avait pâli
  • nous avions pâli
  • vous aviez pâli
  • ils/elles avaient pâli

Toekomende tijd I

  • ik zal verbleken
  • jij zult verbleken
  • hij/zij/het zal verbleken
  • wij zullen verbleken
  • jullie zullen verbleken
  • zij zullen verbleken

Indicatif futur

  • je pâlirai
  • tu pâliras
  • il/elle pâlira
  • nous pâlirons
  • vous pâlirez
  • ils/elles pâliront

Toekomende tijd II

  • ik zal verbleekt zijn
  • jij zult verbleekt zijn
  • hij/zij/het zal verbleekt zijn
  • wij zullen verbleekt zijn
  • jullie zullen verbleekt zijn
  • zij zullen verbleekt zijn

Indicatif futur antérieur

  • j'aurai pâli
  • tu auras pâli
  • il/elle aura pâli
  • nous aurons pâli
  • vous aurez pâli
  • ils/elles auront pâli

Conditionalis I

  • ik zou verbleken
  • jij zou verbleken
  • hij/zij/het zou verbleken
  • wij zouden verbleken
  • jullie zouden verbleken
  • zij zouden verbleken

Conditionnel présent

  • je pâlirais
  • tu pâlirais
  • il/elle pâlirait
  • nous pâlirions
  • vous pâliriez
  • ils/elles pâliraient

Conditionalis II

  • ik zou zijn verbleekt
  • jij zou zijn verbleekt
  • hij/zij/het zou zijn verbleekt
  • wij zouden zijn verbleekt
  • jullie zouden zijn verbleekt
  • zij zouden zijn verbleekt

Conditionnel passé (1ère forme)

  • j'aurais pâli
  • tu aurais pâli
  • il/elle aurait pâli
  • nous aurions pâli
  • vous auriez pâli
  • ils/elles auraient pâli

Imperatief

  • jij verbleek
  • jullie verbleekt

Impératif

  • tu pâlis
  • vous pâlissez

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van verbleken