Vervoeging van verdagen


Nederlands

Duits

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik verdaag
  • jij verdaagt
  • hij/zij/het verdaagt
  • wij verdagen
  • jullie verdagen
  • zij verdagen

Präsens Indikativ

  • ich friste
  • du fristest
  • er/sie/es fristet
  • wir fristen
  • ihr fristet
  • sie fristen

Onvoltooid verleden tijd

  • ik verdaagde
  • jij verdaagde
  • hij/zij/het verdaagde
  • wij verdaagden
  • jullie verdaagden
  • zij verdaagden

Präteritum Indikativ

  • ich fristete
  • du fristetest
  • er/sie/es fristete
  • wir fristeten
  • ihr fristetet
  • sie fristeten

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb verdaagd
  • jij hebt verdaagd
  • hij/zij/het heeft verdaagd
  • wij hebben verdaagd
  • jullie hebben verdaagd
  • zij hebben verdaagd

Perfekt Indikativ

  • ich habe gefristet
  • du hast gefristet
  • er/sie/es hat gefristet
  • wir haben gefristet
  • ihr habt gefristet
  • sie haben gefristet

Voltooid verleden tijd

  • ik had verdaagd
  • jij had verdaagd
  • hij/zij/het had verdaagd
  • wij hadden verdaagd
  • jullie hadden verdaagd
  • zij hadden verdaagd

Plusquamperfekt Indikativ

  • ich hatte gefristet
  • du hattest gefristet
  • er/sie/es hatte gefristet
  • wir hatten gefristet
  • ihr hattet gefristet
  • sie hatten gefristet

Toekomende tijd I

  • ik zal verdagen
  • jij zult verdagen
  • hij/zij/het zal verdagen
  • wij zullen verdagen
  • jullie zullen verdagen
  • zij zullen verdagen

Futur I Indikativ

  • ich werde fristen
  • du wirst fristen
  • er/sie/es wird fristen
  • wir werden fristen
  • ihr werdet fristen
  • sie werden fristen

Toekomende tijd II

  • ik zal verdaagd hebben
  • jij zult verdaagd hebben
  • hij/zij/het zal verdaagd hebben
  • wij zullen verdaagd hebben
  • jullie zullen verdaagd hebben
  • zij zullen verdaagd hebben

Futur II Indikativ

  • ich werde gefristet haben
  • du wirst gefristet haben
  • er/sie/es wird gefristet haben
  • wir werden gefristet haben
  • ihr werdet gefristet haben
  • sie werden gefristet haben

Conditionalis I

  • ik zou verdagen
  • jij zou verdagen
  • hij/zij/het zou verdagen
  • wij zouden verdagen
  • jullie zouden verdagen
  • zij zouden verdagen

Futur I Konjunktiv II

  • ich würde fristen
  • du würdest fristen
  • er/sie/es würde fristen
  • wir würden fristen
  • ihr würdet fristen
  • sie würden fristen

Conditionalis II

  • ik zou hebben verdaagd
  • jij zou hebben verdaagd
  • hij/zij/het zou hebben verdaagd
  • wij zouden hebben verdaagd
  • jullie zouden hebben verdaagd
  • zij zouden hebben verdaagd

Futur II Konjunktiv II

  • ich würde gefristet haben
  • du würdest gefristet haben
  • er/sie/es würde gefristet haben
  • wir würden gefristet haben
  • ihr würdet gefristet haben
  • sie würden gefristet haben

Imperatief

  • jij verdaag
  • jullie verdaagt

Imperativ

  • du friste
  • ihr fristet

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van verdagen