Vervoeging van vliegen


Nederlands

Duits

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het vliegt
  • zij vliegen

Präsens Indikativ

  • er/sie/es verfliegt
  • sie verfliegen

Onvoltooid verleden tijd

  • hij/zij/het vloog
  • zij vlogen

Präteritum Indikativ

  • er/sie/es verflog
  • sie verflogen

Voltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het heeft gevlogen
  • zij hebben gevlogen

Perfekt Indikativ

  • er/sie/es ist verflogen
  • sie sind verflogen

Voltooid verleden tijd

  • hij/zij/het had gevlogen
  • zij hadden gevlogen

Plusquamperfekt Indikativ

  • er/sie/es war verflogen
  • sie waren verflogen

Toekomende tijd I

  • hij/zij/het zal vliegen
  • zij zullen vliegen

Futur I Indikativ

  • er/sie/es wird verfliegen
  • sie werden verfliegen

Toekomende tijd II

  • hij/zij/het zal gevlogen hebben
  • zij zullen gevlogen hebben

Futur II Indikativ

  • er/sie/es wird verflogen sein
  • sie werden verflogen sein

Conditionalis I

  • hij/zij/het zou vliegen
  • zij zouden vliegen

Futur I Konjunktiv II

  • er/sie/es würde verfliegen
  • sie würden verfliegen

Conditionalis II

  • hij/zij/het zou hebben gevlogen
  • zij zouden hebben gevlogen

Futur II Konjunktiv II

  • er/sie/es würde verflogen sein
  • sie würden verflogen sein

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van vliegen