Vervoeging van weglopen


Nederlands

Duits

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het loopt weg
  • zij lopen weg

Präsens Indikativ

  • er/sie/es zerrinnt
  • sie zerrinnen

Onvoltooid verleden tijd

  • hij/zij/het liep weg
  • zij liepen weg

Präteritum Indikativ

  • er/sie/es zerrann
  • sie zerrannen

Voltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het is weggelopen
  • zij zijn weggelopen

Perfekt Indikativ

  • er/sie/es ist zerronnen
  • sie sind zerronnen

Voltooid verleden tijd

  • hij/zij/het was weggelopen
  • zij waren weggelopen

Plusquamperfekt Indikativ

  • er/sie/es war zerronnen
  • sie waren zerronnen

Toekomende tijd I

  • hij/zij/het zal weglopen
  • zij zullen weglopen

Futur I Indikativ

  • er/sie/es wird zerrinnen
  • sie werden zerrinnen

Toekomende tijd II

  • hij/zij/het zal weggelopen zijn
  • zij zullen weggelopen zijn

Futur II Indikativ

  • er/sie/es wird zerronnen sein
  • sie werden zerronnen sein

Conditionalis I

  • hij/zij/het zou weglopen
  • zij zouden weglopen

Futur I Konjunktiv II

  • er/sie/es würde zerrinnen
  • sie würden zerrinnen

Conditionalis II

  • hij/zij/het zou zijn weggelopen
  • zij zouden zijn weggelopen

Futur II Konjunktiv II

  • er/sie/es würde zerronnen sein
  • sie würden zerronnen sein

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van weglopen