Betekenis van:
anchor

anchor
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die centraal staat; middelpunt waarrond iets draait
  • a central cohesive source of support and stability
"faith is his anchor"

Synoniemen

Hyperoniemen

anchor
Zelfstandig naamwoord
  • ijzeren balk om een schip stil te leggen
  • a mechanical device that prevents a vessel from moving

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

anchor
Zelfstandig naamwoord
  • persoon die als laatste iets redigeert
  • a television reporter who coordinates a broadcast to which several correspondents contribute

Synoniemen

Hyperoniemen

to anchor
Werkwoord
  • voor anker leggen
  • secure a vessel with an anchor
"We anchored at Baltimore"

Synoniemen

Hyperoniemen

to anchor
Werkwoord
  • ankeren
  • fix firmly and stably
"anchor the lamppost in concrete"

Synoniemen

Hyperoniemen

to anchor
Werkwoord
  • grondvesten, funderen
  • fix firmly and stably
"anchor the lamppost in concrete"

Synoniemen

Hyperoniemen