Betekenis van:
coming

coming
Bijvoeglijk naamwoord
  • komend uit
  • of the relatively near future
"this coming Thursday"
"the forthcoming holidays"

Synoniemen

coming
Bijvoeglijk naamwoord
  • afkomstig
  • of the relatively near future
"this coming Thursday"
"the forthcoming holidays"

Synoniemen

coming
Zelfstandig naamwoord
  • aanstaande partner; verloofde
  • arrival that has been awaited (especially of something momentous)

Synoniemen

Hyperoniemen

coming
Zelfstandig naamwoord
  • climax bij seks; orgasme
  • the moment of most intense pleasure in sexual intercourse

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

coming
Zelfstandig naamwoord
    • the act of drawing spatially closer to something

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    coming
    Zelfstandig naamwoord
      • the temporal property of becoming nearer in time

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Werkwoord