Betekenis van:
immunity

immunity
Zelfstandig naamwoord
  • officiële vrijstelling voor iets; vrijstelling; ontheffing van bepaalde verplichtingen; het iemand vrijlaten
  • an act exempting someone
"he was granted immunity from prosecution"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

immunity
Zelfstandig naamwoord
  • het onschendbaar zijn
  • the state of not being susceptible

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

immunity
Zelfstandig naamwoord
  • onschendbaarheid
  • the state of not being susceptible

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

immunity
Zelfstandig naamwoord
  • weerstandsvermogen
  • (medicine) the condition in which an organism can resist disease

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

immunity
Zelfstandig naamwoord
    • the quality of being unaffected by something
    "immunity to criticism"

    Hyperoniemen

    immunity
    Zelfstandig naamwoord
    • vrijstelling
    • an act exempting someone
    "he was granted immunity from prosecution"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen