Betekenis van:
official

official
Bijvoeglijk naamwoord
  • uit kracht van een ambt
  • of or relating to an office
"official privileges"
official
Bijvoeglijk naamwoord
  • van een ambt of ambtenaar
  • (of a church) given official status as a national or state institution
official
Bijvoeglijk naamwoord
  • ambtelijk
  • of or relating to an office
"official privileges"

Hyperoniemen

official
Bijvoeglijk naamwoord
    • verified officially
    "the election returns are now official"
    official
    Bijvoeglijk naamwoord
      • having official authority or sanction
      "official permission"
      "an official representative"
      official
      Bijvoeglijk naamwoord
        • conforming to set usage, procedure, or discipline

        Synoniemen

        official
        Zelfstandig naamwoord
          • someone who administers the rules of a game or sport
          "the golfer asked for an official who could give him a ruling"

          Hyperoniemen

          Hyponiemen