Betekenis van:
residence

residence
Zelfstandig naamwoord
  • verblijfplaats van een staatshoofd
  • the official house or establishment of an important person (as a sovereign or president)
"he refused to live in the governor's residence"

Hyperoniemen

Hyponiemen

residence
Zelfstandig naamwoord
  • plaats van verblijf of oponthoud
  • any address at which you dwell more than temporarily
"a person can have several residences"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

residence
Zelfstandig naamwoord
  • functie van assistent
  • the act of dwelling in a place

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

residence
Zelfstandig naamwoord
  • statig woonhuis
  • a large and imposing house

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

residence
Zelfstandig naamwoord
  • vrijstaand, luxe woonhuis met tuin
  • a large and imposing house

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

residence
Zelfstandig naamwoord
  • woning behorend bij bepaald ambt
  • the act of dwelling in a place

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

residence
Zelfstandig naamwoord
  • residentiestad, hofstad
  • the official house or establishment of an important person (as a sovereign or president)
"he refused to live in the governor's residence"

Hyperoniemen

Hyponiemen

residence
Zelfstandig naamwoord
  • residentie
  • the official house or establishment of an important person (as a sovereign or president)
"he refused to live in the governor's residence"

Hyperoniemen

Hyponiemen

residence
Zelfstandig naamwoord
  • residentschap
  • the act of dwelling in a place

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

residence
Zelfstandig naamwoord
  • residentschap
  • the act of dwelling in a place

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen