Betekenis van:
unsound

unsound
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet fris of zuiver meer
  • physically unsound or diseased
"an unsound limb"
"unsound teeth"

Synoniemen

unsound
Bijvoeglijk naamwoord
    • not in good condition; damaged or decayed
    "an unsound foundation"
    unsound
    Bijvoeglijk naamwoord
      • not sound financially
      "unsound banking practices"
      unsound
      Bijvoeglijk naamwoord
      • galsterig, garstig
      • physically unsound or diseased
      "an unsound limb"
      "unsound teeth"

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      unsound
      Bijvoeglijk naamwoord
        • containing or based on a fallacy
        "an unsound argument"

        Synoniemen

        unsound
        Bijvoeglijk naamwoord
          • suffering from severe mental illness
          "of unsound mind"

          Synoniemen

          unsound
          Bijvoeglijk naamwoord
            • of e.g. advice