Betekenis van:
bad

bad
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet goed; naar
  • having undesirable or negative qualities
"a bad report card"
"his sloppy appearance made a bad impression"
bad
Bijvoeglijk naamwoord
  • slecht; naar
  • having undesirable or negative qualities
"a bad report card"
"his sloppy appearance made a bad impression"

Hyperoniemen

bad
Bijvoeglijk naamwoord
  • slecht
  • having undesirable or negative qualities
"a bad report card"
"his sloppy appearance made a bad impression"

Hyperoniemen

bad
Bijvoeglijk naamwoord
  • lelijk, kitscherig
  • having undesirable or negative qualities
"a bad report card"
"his sloppy appearance made a bad impression"

Hyperoniemen

bad
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet fris of zuiver meer
  • physically unsound or diseased
"has a bad back"
"a bad heart"

Synoniemen

bad
Bijvoeglijk naamwoord
    • nonstandard
    "so-called bad grammar"
    bad
    Bijvoeglijk naamwoord
      • very intense
      "a bad headache"
      "had a big (or bad) shock"

      Synoniemen

      bad
      Bijvoeglijk naamwoord
        • (of foodstuffs) not in an edible or usable condition
        "bad meat"

        Synoniemen

        bad
        Bijvoeglijk naamwoord
          • characterized by wickedness or immorality
          "led a very bad life"
          bad
          Bijvoeglijk naamwoord
            • capable of harming
            "bad air"
            "smoking is bad for you"
            bad
            Bijvoeglijk naamwoord
              • feeling or expressing regret or sorrow or a sense of loss over something done or undone
              "he felt bad about breaking the vase"

              Synoniemen

              bad
              Bijvoeglijk naamwoord
                • not financially safe or secure
                "a bad investment"

                Synoniemen

                bad
                Bijvoeglijk naamwoord
                  • not capable of being collected
                  "a bad (or uncollectible) debt"

                  Synoniemen

                  bad
                  Bijvoeglijk naamwoord
                    • feeling physical discomfort or pain (`tough' is occasionally used colloquially for `bad')
                    "my throat feels bad"
                    "she felt bad all over"

                    Synoniemen

                    bad
                    Bijvoeglijk naamwoord
                      • reproduced fraudulently
                      "like a bad penny..."

                      Synoniemen

                      bad
                      Bijvoeglijk naamwoord
                        • not working properly
                        "a bad telephone connection"

                        Synoniemen

                        bad
                        Bijvoeglijk naamwoord
                        • galsterig, garstig
                        • physically unsound or diseased
                        "has a bad back"
                        "a bad heart"

                        Synoniemen

                        Hyperoniemen

                        bad
                        Bijvoeglijk naamwoord
                          • below average in quality or performance
                          "a bad chess player"
                          "a bad recital"
                          bad
                          Bijwoord
                            • with great intensity (`bad' is a nonstandard variant for `badly')
                            "the injury hurt badly"
                            "the buildings were badly shaken"

                            Synoniemen

                            bad
                            Bijwoord
                              • very much; strongly
                              "I wanted it badly enough to work hard for it"
                              "the cables had sagged badly"

                              Synoniemen

                              bad
                              Zelfstandig naamwoord
                                • that which is below standard or expectations as of ethics or decency
                                "take the bad with the good"

                                Synoniemen

                                Hyperoniemen

                                Hyponiemen