Betekenis van:
aankunnen

aankunnen
Werkwoord
  • berekend zijn voor (een taak)
"stress aankunnen"
"hij kan het niet nog steeds niet aan dat zijn ex-vriendin nu met een ander is getrouwd"

Hyperoniemen

Hyponiemen

aankunnen
Werkwoord
  • iemand de baas kunnen zijn
"Hij had zijn oudere broertje nooit aangekund, maar was nu duidelijk de sterkere."
aankunnen
Werkwoord
  • een kledingstuk met fatsoen kunnen dragen
"Vorig jaar had ze deze dure jurk nog aangekund, maar nu was die volledig uit de mode."