Betekenis van:
apparaat

apparaat
Zelfstandig naamwoord
  • een min of meer samengesteld werktuig
"Het apparaat is door de ingeslagen bliksem kapotgegaan."
apparaat (het ~ | meervoud apparaten)
Zelfstandig naamwoord
  • min of meer samengesteld werktuig
"het apparaat werkt/'doet het'"
"het apparaat aandoen/aanzetten/inschakelen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

apparaat
Zelfstandig naamwoord
  • een voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een specifieke functie heeft.

Synoniemen