Betekenis van:
banaan

banaan (de ~ | meervoud bananen)
Zelfstandig naamwoord
  • vrucht; banaan
"waarom zijn de bananen krom?"
"een banaan pellen"

Synoniemen

Hyperoniemen

banaan
Zelfstandig naamwoord
  • een vrucht van de bananenboom
"Eet u vaak bananen of houdt u meer van peren?"

Voorbeeldzinnen

  1. Banaan (**)
  2. Bananenboom, banaan
  3. „Ibrahim Abdul Salam Mohamed Boyasseer (ook bekend als a) Abu Al-Banaan, b) Ibrahim Bouisir, c) Ibrahim Buisir).