Betekenis van:
vrucht

vrucht
Zelfstandig naamwoord
  • volgroeid vruchtbeginsel van een boom of plant
"De vruchten van die bomen worden op regelmatige tijdstippen geplukt."
vrucht
Zelfstandig naamwoord
  • ongeboren jong van een dier of mens
"De vrouw ziet er niet zwanger uit, maar de vrucht is er wel degelijk."
vrucht (de ~ | meervoud vruchten)
Zelfstandig naamwoord
  • som geld dat iets opbrengt; opbrengst t.o.v. kosten; resultaten van een inspanning; geld opgebracht door b.v. verkoop
"vruchten afwerpen"
"de vrucht van zijn inspanningen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

vrucht (de ~ | meervoud vruchten)
Zelfstandig naamwoord
  • het uitgegroeide vruchtbeginsel van een plant
"in de vrucht van een plant kunnen meerdere zaden zitten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen