Betekenis van:
bekwaamheid

bekwaamheid (de ~ | meervoud bekwaamheden)
Zelfstandig naamwoord
  • de vaardigheid om specifieke taken succesvol te kunnen verrichten
  • meetbare kennis, vaardigheid of persoonlijke eigenschap die bijdraagt aan de prestaties van een individu
"de bekwaamheid in iets"
"over (een zekere) bekwaamheid beschikken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

bekwaamheid
Zelfstandig naamwoord
  • competentie.

Voorbeeldzinnen

  1. Bekwaamheid van het personeel
  2. afgifte van een bewijs van bekwaamheid.
  3. Betwisting van de bekwaamheid van aangemelde instanties
  4. Deskundigheid en bekwaamheid inzake nucleaire veiligheid
  5. Eventueel vereiste specifieke minimumeisen ten aanzien van de bekwaamheid.
  6. Minimaal vereiste bekwaamheid voor het verrichten van verificatie
  7. over aantoonbare bekwaamheid beschikt voor het uitvoeren van zijn aangewezen taken;
  8. Het forum kan daartoe maximaal vijf extra leden op grond van hun specifieke bekwaamheid coöpteren.
  9. over de vereiste bekwaamheid beschikken, waaronder voldoende theoretische en praktische ervaring op het relevante gebied.
  10. Er moet een adequaat niveau van bekwaamheid in theoretische kennis worden gehandhaafd.
  11. De opleiding tot verloskundige waarborgt dat de betrokkene de volgende kennis en bekwaamheid heeft verworven:
  12. De bekwaamheid van het personeel wordt met passende tussenpozen, die zijn gespecificeerd in het kwaliteitssysteem, geëvalueerd.
  13. De nadere regelingen voor de proeve van bekwaamheid alsook de status, die de aanvrager die zich op de proeve van bekwaamheid in die staat wil voorbereiden in de ontvangende lidstaat heeft, worden vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat;
  14. De auditor wordt aangesteld overeenkomstig artikel 9, lid 4, en beschikt over de krachtens artikel 9 vereiste bekwaamheid en opleiding.
  15. De opleiding tot verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger waarborgt dat de betrokkene de volgende kennis en bekwaamheid heeft verworven: