Betekenis van:
blind

blind (het ~ | meervoud blinden)
Zelfstandig naamwoord
  • luik; houten afdekking voor een raam
"de blinden voor de ramen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

blind
Zelfstandig naamwoord
  • los luik, aan de buitenkant tegen het kajuitsraam gezet

Hyperoniemen

Hyponiemen

blind
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet kunnende zien
"blind typen"
"je ergens blind op staren"
blind
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet in staat te zien
"De blinde man wachtte tot zijn hond begon met oversteken."
blind
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet zichtbaar; niet te zien
"een blinde kaart"
"een blinde passagier"

Synoniemen

blind
Bijvoeglijk naamwoord
  • onvoorwaardelijk; zonder kritiek
"een blind vertrouwen in iemand hebben"
"blind(e) geloof/gehoorzaamheid"

Synoniemen

Werkwoord