Betekenis van:
blind
blind
Bijvoeglijk naamwoord
- niet kunnende zien
"blind typen"
"je ergens blind op staren"
blind
Bijvoeglijk naamwoord
- niet in staat te zien
"De blinde man wachtte tot zijn hond begon met oversteken."
blind
Bijvoeglijk naamwoord
- niet zichtbaar; niet te zien
"een blinde kaart"
"een blinde passagier"
Synoniemen
blind
Bijvoeglijk naamwoord
- onvoorwaardelijk; zonder kritiek
"een blind vertrouwen in iemand hebben"
"blind(e) geloof/gehoorzaamheid"
Synoniemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Hij werd blind.
- Het arme meisje werd blind.
- Vaste condensatoren voor 50/60 Hz met een blind vermogen van ≥ 0,5 kvar
- Voorts vereist het CRL dat H5- of H7-positieve sera van eendachtigen „blind” worden toegezonden zodat een archief kan worden samengesteld om de toekomstige ontwikkeling van tests te vergemakkelijken.
- Tenzij het praktijkonderzoek blind wordt uitgevoerd, zijn de bepalingen van de artikelen 55, 56 en 57 op dezelfde wijze van toepassing op de etikettering van formuleringen voor gebruik bij diergeneeskundige praktijkonderzoeken.