Betekenis van:
luik

luik
Zelfstandig naamwoord
  • openklappend vlak, klapdeur
"Achter het ene luik is een echte prijs verborgen, achter de andere zit een troostprijs."
luik
Zelfstandig naamwoord
  • openklappend vlak, klapdeur
"Achter het ene luik is een echte prijs verborgen, achter de andere zit een troostprijs."
luik (het ~ | meervoud luiken)
Zelfstandig naamwoord
  • onderdeel van een samengesteld geheel
"sociaal luik"
"het [eerste/tweede/derde] luik"

Synoniemen

Hyperoniemen

luik (het ~ | meervoud luiken)
Zelfstandig naamwoord
  • luik; houten afdekking voor een raam
"de luiken opendoen/dichtdoen"
"een huis met luiken voor de ramen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

luik (het ~ | meervoud luiken)
Zelfstandig naamwoord
  • afdekking voor opening in een vloer
"het hoofd uit het luik steken"

Synoniemen

Hyperoniemen

luik (het ~ | meervoud luiken)
Zelfstandig naamwoord
  • schilderstuk op hout
"schilderij op luik"
"foto op canvas drieluik"

Synoniemen

Hyperoniemen

luik
Zelfstandig naamwoord
  • afdekking van een scheepsruim
luik
Zelfstandig naamwoord
  • openklappende plank die een raam afdekt en beschermt
luik
Zelfstandig naamwoord
  • onderdeel van een altaar-schilderij
luik
Zelfstandig naamwoord
  • afdekking van een scheepsruim
luik
Zelfstandig naamwoord
  • openklappende plank die een raam afdekt en beschermt
luik
Zelfstandig naamwoord
  • onderdeel van een altaar-schilderij

Werkwoord