Betekenis van:
schot

schot (het ~ | meervoud schoten)
Zelfstandig naamwoord
  • snelle voortgang
"er zit schot in (de zaak)"

Hyperoniemen

schot (het ~ | meervoud schoten)
Zelfstandig naamwoord
  • lading kruit
"een schot hagel"

Hyperoniemen

schot (het ~ | meervoud schoten)
Zelfstandig naamwoord
  • handeling van schieten bij spelen
"een hard/zacht schot"
"een schot uit de tweede lijn"

Hyperoniemen

schot (het ~ | meervoud schoten)
Zelfstandig naamwoord
  • keer dat je een wapen afschiet
"iemand onder schot nemen/hebben"
"een schot in de roos"

Hyperoniemen

Hyponiemen

Schot (de ~ | meervoud Schotten)
Zelfstandig naamwoord
  • inwoner Schotland

Hyperoniemen

schot
Zelfstandig naamwoord
  • ziekte in naaldbomen

Hyperoniemen

schot
Zelfstandig naamwoord
  • het afvuren van een projectiel
schot
Zelfstandig naamwoord
  • een afscheidende tussenwand
schot
Zelfstandig naamwoord
  • vrouwelijk rund dat tweemaal gekalfd heeft
schot
Zelfstandig naamwoord
  • het afvuren van een projectiel
schot
Zelfstandig naamwoord
  • een afscheidende tussenwand
schot
Zelfstandig naamwoord
  • vrouwelijk rund dat tweemaal gekalfd heeft