Betekenis van:
continu

continu
Bijvoeglijk naamwoord
  • doorlopend; ononderbroken; ononderbroken; onafgebroken; niet onderbroken
"continu doorgaan/draaien/werken"
"een continue stroom ((van) vluchtelingen)"

Synoniemen

Hyperoniemen

continu
Bijvoeglijk naamwoord
  • voortdurend, zonder onderbreking

Voorbeeldzinnen

  1. Continu
  2. Continu vissysteem
  3. Niet-continu
  4. Continu inzetbaar.
  5. Bij continu remmen
  6. continu geëxciteerde "lasers" met:
  7. Type: continu of aan/uit3.4.5.3.2.
  8. Vaartuig voor de korvisserij (continu)
  9. Type: continu of aan/uit2.4.3.2.
  10. Type: continu of aan/uit4.4.3.2.
  11. Continu inzetbaar gedurende 7 dagen.
  12. Type: continu of aan/uit3.2.4.3.2.
  13. Continu werkende transportinrichtingen voor goederen, andere
  14. Handgeschakeld/automatisch/continu variabele transmissie: (2) (3)
  15. Demonstratie van niet-continu kantelgedrag door berekening