Betekenis van:
dak

dak (het ~ | meervoud daken)
Zelfstandig naamwoord
  • bovenbedekking van een gebouw
"iemand iets op zijn dak schuiven"
"iemand [de politie] op zijn dak sturen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

dak (het ~ | meervoud daken)
Zelfstandig naamwoord
  • dekstuk van andere zaken
"een auto met open dak"

Hyperoniemen

Hyponiemen

dak
Zelfstandig naamwoord
  • het deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
"Door de hevige storm stortte het dak in."