Betekenis van:
duim

duim (de ~ | meervoud duimen)
Zelfstandig naamwoord
  • oude lengtemaat
"er duimen dik op liggen"

Hyperoniemen

duim (de ~ | meervoud duimen)
Zelfstandig naamwoord
  • kortste vinger; naam voor iemand die duimzuigt
"[iemand] onder de duim houden"
"[iets] uit je duim zuigen"

Synoniemen

Hyperoniemen

duim
Zelfstandig naamwoord
  • gedeelte van een handschoen voor die vinger

Hyperoniemen

duim
Zelfstandig naamwoord
  • eerste, kortse en dikste vinger, gelegen naast de wijsvinger, met twee geledingen, die zowel naast als tegenover de andere vingers geplaatst kan worden
duim
Zelfstandig naamwoord
  • oude lengtemaat. De exacte lengte is streek-afhankelijk; bijvoorbeeld, de Engelse duim is 2.54 cm, de Amsterdamse duim is 2.573 cm
duim
Zelfstandig naamwoord
  • haakspijker.
duim
Zelfstandig naamwoord
  • scharnierhaak.

Werkwoord