Betekenis van:
duw

duw (de ~ | meervoud duwen)
Zelfstandig naamwoord
  • voorwaartse stoot
"een duw geven"
"een duwtje in de goede richting"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

duw
Zelfstandig naamwoord
  • een zet, een stoot
"Hij gaf de auto een harde duw, zodat die weer op de weg kwam."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. De exploitant zorgt ervoor dat alle duw- en trekprocedures overeenstemmen met de toepasselijke luchtvaartnormen en -procedures.
  2. Duw daarna voorzichtig het rugdeel van de machine terug tegen de rugleuning.
  3. procedures voor het opstarten, en het vertrek van en aankomst bij de vliegtuigtrap, met inbegrip van duw- en trekprocedures;
  4. procedures voor het opstarten, en het vertrek van en aankomst bij de vliegtuigtrap, met inbegrip van duw- en trekprocedures;
  5. Plaats het voertuig over een smeerkuil of bevestig het aan een hijstoestel met het volledige gewicht van het voertuig op de grond, duw en trek het stuurwiel in lijn met de stuurkolom, duw het stuurwiel/de bedieningsstang in verschillende richtingen met rechte hoeken ten opzichte van de kolom/de vorken.
  6. Aan de voorschriften van punt 2.4.2 behoeft niet te worden voldaan door buitenspiegels die na door een duw omgeklapt te zijn automatisch in de vroegere stand terugkeren of daarin zonder gereedschap kunnen worden teruggebracht.