Betekenis van:
eenvoudig

eenvoudig
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet ingewikkeld
"De oefeningen die je moet maken zijn eenvoudig."
eenvoudig
Bijvoeglijk naamwoord
  • zonder overdaad of vertoon
"Hij draagt een eenvoudige uitrusting."
eenvoudig
Bijvoeglijk naamwoord
  • afkerig van overdaad of overmaat
"een eenvoudige (doch voedzame) maaltijd"
"een eenvoudig jurkje/etentje"

Synoniemen

eenvoudig
Bijvoeglijk naamwoord
  • geen te hoge gedachten van zichzelf hebbend, niet aanmatigend
"de eenvoudigen van geest"
"eenvoudige mensen"

Synoniemen

eenvoudig
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet samengesteld, niet ingewikkeld
"dat is eenvoudig onzin/gekkenwerk"
"een eenvoudig vraagstuk/apparaatje"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Hij leefde een eenvoudig leven.
  2. De tweede les is zeer eenvoudig.
  3. De syntaxis van Python scripts is erg eenvoudig.
  4. Ik kan haar dat nu niet zeggen. Dat is niet zo eenvoudig meer.
  5. eenvoudig stutten,
  6. het aanscherpen, eenvoudig vermalen of eenvoudig versnijden;
  7. Eenvoudig toegankelijke informatie
  8. Vanuit de evacuatieruimten moeten de reddingsmiddelen eenvoudig toegankelijk zijn.”,
  9. het eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten;
  10. Administratieve samenwerking in de EU is niet eenvoudig.
  11. De toepassing van de regeling dient zo eenvoudig en zo doeltreffend mogelijk te zijn.
  12. Deze belangrijke algemene doelstelling kan eenvoudig worden geformuleerd als „berokken geen schade”.
  13. De omzetting van zuivere biodiesel (B100) in een gemengd product (B99) is een eenvoudig proces.
  14. De waarnemingen dienen eenvoudig en makkelijk uitvoerbaar te zijn, en uitsluitend betrekking te hebben op:
  15. Om tot een geharmoniseerd, eenvoudig systeem te komen moeten alle registraties bij het Agentschap worden ingediend.