Betekenis van:
familie

familie
Zelfstandig naamwoord
  • (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
"We zijn met de hele familie, inclusief alle klein- en achterkleinkinderen, naar de honderdste verjaardag van oma geweest."
familie (de ~ | meervoud families)
Zelfstandig naamwoord
  • man, vrouw en eventuele kinderen; huisgezin; familieleden in één huishouden; mensen die samen in één huis wonen
"bij de familie Van der Vliet op bezoek"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

familie
Zelfstandig naamwoord
  • onderdeel van een orde bestaande uit een of meer geslachten

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Hoe groot is uw familie?
  2. Zijn ze familie van je?
  3. Weet je iets over je familie?
  4. Hoe is het met uw familie?
  5. Ik nam een foto van mijn familie.
  6. Al mijn vrienden en familie zijn dood.
  7. Tom' beslissing om te trouwen verbaasde zijn familie.
  8. Ik krijg heimwee als ik aan m'n familie denk.
  9. Ze heeft haar geld, haar familie en haar vrienden verloren.
  10. De dokter dachten dat hij dood was, maar vandaag is hij gezond en wel en hij heeft werk en een familie.
  11. FAMILIE
  12. Familie
  13. (geen familie)
  14. Familie drukvaten:
  15. Handicaps in de familie