Betekenis van:
familie
familie
Zelfstandig naamwoord
- (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
"We zijn met de hele familie, inclusief alle klein- en achterkleinkinderen, naar de honderdste verjaardag van oma geweest."
familie (de ~ | meervoud families)
Zelfstandig naamwoord
- man, vrouw en eventuele kinderen; huisgezin; familieleden in één huishouden; mensen die samen in één huis wonen
"bij de familie Van der Vliet op bezoek"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
familie
Zelfstandig naamwoord
- onderdeel van een orde bestaande uit een of meer geslachten
Hyperoniemen
Hyponiemen
Voorbeeldzinnen
- Hoe groot is uw familie?
- Zijn ze familie van je?
- Weet je iets over je familie?
- Hoe is het met uw familie?
- Ik nam een foto van mijn familie.
- Al mijn vrienden en familie zijn dood.
- Tom' beslissing om te trouwen verbaasde zijn familie.
- Ik krijg heimwee als ik aan m'n familie denk.
- Ze heeft haar geld, haar familie en haar vrienden verloren.
- De dokter dachten dat hij dood was, maar vandaag is hij gezond en wel en hij heeft werk en een familie.
- FAMILIE
- Familie
- (geen familie)
- Familie drukvaten:
- Handicaps in de familie