Betekenis van:
huishouden

huishouden (het ~ | meervoud huishoudens)
Zelfstandig naamwoord
  • persoon of groep personen die een huishouding voert
"een gemiddeld huishouden verbruikt bijna 3000 kWh per jaar"
"een eenpersoons/tweepersoons huishouden"

Hyperoniemen

Hyponiemen

huishouden (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het huishoudelijk werk; het huishoudelijk werk
"het huishouden doen"
"voor het huishouden zorgen"

Synoniemen

Hyperoniemen

huishouden
Zelfstandig naamwoord
  • een familie die een samenwonende economische eenheid vormt
"Veel huishoudens kregen het in deze crisis zwaar te verduren."
huishouden
Werkwoord
  • tekeer gaan; je woede uiten
"lelijk/flink huishouden"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

huishouden
Werkwoord
  • een grote rommel of vernietiging achterlaten
"De bandieten hielden flink huis in het dorpje dat ze plotseling overvallen hadden."