Betekenis van:
ga

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ik ga.
  2. Ga slapen.
  3. Ik ga buiten spelen. Ga je mee?
  4. Ga niet zonder hoed.
  5. Ga Mary wakker maken.
  6. Ga verder zonder mij.
  7. Ga naar school.
  8. Regen, regen, ga weg!
  9. Ik ga Duits studeren.
  10. Ik ga douchen.
  11. Ga je dan niet?
  12. Ga voor hulp.
  13. Ga hulp vragen.
  14. Ga terug naar huis.
  15. Ik ga naar Hokkaido.