Betekenis van:
gehoor

gehoor (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • hoorvermogen
"het gehoor strelen/kwetsen"
"een absoluut gehoor"

Hyperoniemen

gehoor (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • welwillende aandacht
"iemand gehoor geven/verlenen"
"om gehoor vragen bij iemand"

Hyperoniemen

gehoor
Zelfstandig naamwoord
  • het systeem om te horen
"Mijn opa's gehoor was erg slecht geworden."
gehoor (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • alle toeschouwers; collegezaal; verzamelde toehoorders
"een talrijk gehoor"
"zich onder iemands gehoor bevinden"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

gehoor (het ~)
Werkwoord
  • het horen zelf
"geen gehoor (kunnen) krijgen"
"op het gehoor (af) iets doen"

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Niemand vindt gehoor (bij de rechter) wanneer hij zich beroept op zijn eigen schandelijk gedrag
  2. Gehoor
  3. Gehoor: …
  4. GEHOOR
  5. gehoor?
  6. Eén belanghebbende heeft hieraan gehoor gegeven.
  7. Aanvullende eisen ten aanzien van spraak en gehoor
  8. hij geeft gehoor aan verzoeken om bijstand van de Commissie.
  9. onderzoeken van de zintuiglijke functies (gezicht, gehoor, kleurwaarneming),
  10. onderzoeken van de zintuiglijke functies (gezicht, gehoor, kleurwaarneming);
  11. Onder personen met beperkte mobiliteit vallen ook personen met beperkt gezichtsvermogen of gehoor.
  12. het voorafgaande onderzoek toestaan op grond van uitsluitend schriftelijke toelichtingen zonder persoonlijk gehoor.
  13. Ten aanzien van gezicht en gehoor moet aan de volgende eisen worden voldaan:
  14. Muizen beschikken over een uiterst verfijnd gehoor en zijn gevoelig voor ultrageluiden.
  15. hij voert het jaarlijkse werkprogramma van de Stichting uit en geeft gehoor aan verzoeken van de Commissie om bijstand;