Betekenis van:
publiek

publiek (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • alle toeschouwers; collegezaal; verzamelde toehoorders
"optreden voor een groot publiek"
"voor eigen publiek"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

publiek
Zelfstandig naamwoord
  • een groep toeschouwers
"Het publiek komt niet meer bij van het lachen."
publiek (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het gewone volk
"het publiek in de grote winkelcentra"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

publiek
Bijvoeglijk naamwoord
  • voor iedereen toegankelijk
"publiek bezit"
"publieke gebouwen"

Synoniemen

publiek
Bijvoeglijk naamwoord
  • algemeen bekend
"een publiek geheim"
"de zitting, het examen is publiek"

Synoniemen

publiek
Bijvoeglijk naamwoord
  • wat het publiek aangaat
"Het is een publiek geheim dat ..."
publiek
Bijvoeglijk naamwoord
  • vrij toegangelijk, openbaar