Betekenis van:
tuig

tuig (het ~ | meervoud tuigen)
Zelfstandig naamwoord
  • stelsel van riemen om dier te leiden
"het paard het tuig aandoen/afdoen"

Hyperoniemen

tuig (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • slecht, onbeschoft volk
"dat is nu eens echt tuig"
"langharig tuig"

Synoniemen

Hyperoniemen

tuig
Zelfstandig naamwoord
  • ding, voorwerp
"Pas op anders gaat dat hele tuig in de fik."
tuig
Zelfstandig naamwoord
  • machine, vervoermiddel
"Als het tuig eenmaal in de ruimte is, begint de gewichtsloosheid een rol te spelen."
tuig
Zelfstandig naamwoord
  • plebs, lieden van laag allooi
"Ik laat me door dat tuig niet in de wielen rijden."
tuig
Zelfstandig naamwoord
  • harnas, verameling riemen waarmee een persoon of dier in bedwang gehouden kan worden
"Met dit tuigje kunnen we tenminste verhinderen dat onze peuter uit zijn kinderstoel valt."
tuig
Zelfstandig naamwoord
  • het touwwerk en de zeilen van een schip

Hyperoniemen

tuig
Zelfstandig naamwoord
  • de verzamelnaam voor alle zeilen, staand (vast) en lopend (beweegbaar) want, het touwwerk en de rondhouten die nodig zijn om een schip voort te bewegen en om een schip te laten ankeren
tuig (het ~ | meervoud tuigen)
Zelfstandig naamwoord
  • gereedschap gebruikt bij het vissen; snoeren v.e. vishengel; visnetten

Synoniemen

Hyperoniemen

tuig
Zelfstandig naamwoord
  • een met explosieven gevuld voorwerp

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

tuig
Zelfstandig naamwoord
  • vervoermiddel dat dient om goederen of personen over land te vervoeren

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord