Betekenis van:
bom

bom (de ~ | meervoud bommen)
Zelfstandig naamwoord
  • een met explosieven gevuld voorwerp
"een zure bom"
"een bommetje maken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

bom
Zelfstandig naamwoord
  • stop van een vat
"De kuiper sloeg de kurken bom in het vat."

Hyperoniemen

bom
Zelfstandig naamwoord
  • een vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
"Er is recentelijk weer een bom op een Pakistaanse stad gegooid."
bom
Zelfstandig naamwoord
  • grote hoeveelheid
"een bom geld/duiten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord