Betekenis van:
bom

bom (de ~ | meervoud bommen)
Zelfstandig naamwoord
  • een met explosieven gevuld voorwerp
"een zure bom"
"een bommetje maken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

bom
Zelfstandig naamwoord
  • stop van een vat
"De kuiper sloeg de kurken bom in het vat."

Hyperoniemen

bom
Zelfstandig naamwoord
  • een vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
"Er is recentelijk weer een bom op een Pakistaanse stad gegooid."
bom
Zelfstandig naamwoord
  • grote hoeveelheid
"een bom geld/duiten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Toen de bom ontplofte was it daar bij toeval.
  2. Het beleid en de procedures voor het omgaan met en rapporteren van misdrijven aan boord, zoals onwettige interventie, sabotage, dreigen met een bom, en kaping, dienen eveneens te worden vermeld.
  3. De exploitant zorgt ervoor dat er een controlelijst aan boord is voor de te volgen procedures bij het zoeken naar een bom of geïmproviseerde explosieven (IED), wanneer wordt vermoed dat er sabotage is gepleegd, alsmede voor het inspecteren van vliegtuigen op verborgen wapens, explosieven of andere gevaarlijke tuigen, wanneer er een gegrond vermoeden bestaat dat het vliegtuig het voorwerp kan zijn van een daad van onwettige inmenging.